Kort na de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland nam de Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars, afdeling Beeldende Kunsten, het initiatief voor een tentoonstelling ter herinnering aan Nederlandse kunstenaars die tijdens de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen, maar ook aan hen die actief waren in het verzet. Het doel wordt in de inleiding van de tentoonstellingscatalogus beschreven als:
Het bijeenbrengen en exposeren van de kunstwerken, die men op deze tentoonstelling aantreft, beoogt slechts één doel: het wil een eerbetuiging zijn aan hen, die den bezetter hun verzetswil toonden, ofwel het slachtoffer werden van de onmenselijkheid van dienzelfden bezetter. Men vindt hier derhalve zowel het werk van die kunstenaars, welke om hun ras, geloof en politieke overtuiging werden vervolgd of vernietigd, alsook van hen, die de strijd aanbonden met de brengers van nationale onderdrukking, honger, en – vergeten wij het niet – de Kultuurkamer, om in die strijd in het concentratiekamp en de cel te worden opgesloten, of hun leven te geven voor de idee van een vrij land en een vrije kunst.
De tentoonstelling gaf geen compleet overzicht van het werk van de kunstenaars, dat kon ook niet vanwege het tijdsbestek en de logistieke problemen zo kort na de oorlog. De naam Kunst in het harnas verwijst zowel naar het afwijzen van de dwang van de bezetter, als naar het verzet daartegen. De door Wim Bosma gemaakte tentoonstellingsposter vertoont een kruis, wapenschild en witte lelie tegen een beschadigd gebouw, met daarboven een vliegende vogel (vredesduif).