1 december 1935

Brief van Max van Dam aan Jaap Hemelrijk

Aan Den Weled. Heer, Dr. J. Hemelrijk, “De Spar”, Bergen (N.H.), Nederland

Max van Dam, St. Jacobsmarkt 10, Antwerpen 

[Poststempel 1 Dec 1935]

Antwerpen
Zondagmorgen

Geachte vriend Hemelrijk,

U moet ik toch nog even schrijven.
De sympathie waarmee U m’n werk tegemoet bent gekomen is bijzonder hartelijk, al te hartelijk.
Ik sta nog zo aan ’t begin, en ik heb nog zoveel te doen.
Zeker ik ben blij als er iemand door m’n werk bladert en er wat van “dat andere” in voelt, en dan wat kijkt met z’n hoofd opzij, en een hand gaat stil omhoog en de vingers maken een eigenaardige nerveuze beweging, ze trillen in de toppen, en hij praat goddank niet…
Zo’n kontakt van mensch tot mensch vind ik gelukkig – en ik heb ’t gevoel dat met U te hebben gehad, zonder dat ik u ken. Ja, ik ken u toch.
Iets in z’n atmosfeer daaraan verwand ben ik eens ondergaan toen ik luisterde naar een lezing van U vele jaren geleden, in een koude Winterswijkse schouwburgtent, over Pompei en Herkulanum. Toen ik uw brief las, zag ik dat opeens weer voor me, en ik hield even op met lezen, en ik zag ’t beter.

Ik was toen een jaar of 14, 15 geloof ik, maar die fragmentarische wandschilderingen waren toen voor mij bepaald. Zó en zo van kleur en voltooid in z’n compositie.

Toen ik later een reproduktie van Raphaël zag “de drie Gratiën”, b.v. toen was er verband. Ja maar ik geloof dat de Grieken (of Romeinen of toch Grieken in Italië) formidabele schilders geweest moeten zijn.

Heb ik u erg veel last bezorgd met de 3 tekeningen naar Den Haag?

Het was zo gepresseerd, en m’n ander werk moest in Antwerpen blijven op ’t atelier, anders had ik u niet lastig gevallen. Er kwam hoog bezoek, ministers, burgemeester v. Antwerpen, commissaris van de Koning – enz. er was dan zoiets als een atelier expositie. Dat wist ik allemaal maar pas erg laat. Het was een opluchting toen ze weg waren.
Graag kom ik eens naar Bergen logeren. Dank voor de invitatie,

Dag, veel groeten Max.