Beste Jaap,
Heel hartelijke je uitvoerige brief. ’t Was een blijde ontmoeting. Als je bij jezelf misschien gezegd zult hebben “Max hecht toch wel eens te veel belang aan stemmingen…“ dan heb je gelijk. En als ’t was zoals sommige Antwerpsche vrienden wel eens zeggen “je leeft van stemmingen – en van uitersten” dan hebben ze geen gelijk. Omdat stemmingen bij mij zich meestal openbaren (die ervaringen heb ik dan toch!) in een wat broeierige atmosfeer, die geladen is met ‘n ingehouden maar ongerichte kracht.
Deze atmosfeer broeit zo lang door tot de ongerichte kracht een gerichte wordt en dan gebeurt er iets.
Dat iets is dan een schilderij of een andere gebeurtenis, die dan min of meer beslissend is op m’n verdere levensweg. Zo ook nu weer.
Nu worden ’t schilderijen, èn ook een gebeurtenis.
– Luister – Je weet ik ben een leerling van Opsomer vanaf Oktober 1933.
ik zal hem altijd dankbaar zijn toen ik bij hem kwam en tegen hem zei: “Ik wil graag werken.” Hij zag m’n teekeningen en duwde me maar direkt met de neus in de verf.
Over mijn verdere werk toonde hij zich de eerste tijd enthousiast.
Later toen ik ondanks de brutale greep in m’n nekvel doorzocht naar dat waar naar ik te luisteren had krachtens m’n eigen ‘moeten’ zoals jij dat uitdrukte… was ‘t…
“Ge zijt ’n artiest, maar ge kunt niet teekenen” – “Ge zijt teveel artiest” en dan weer “U moet construeeren. U zult verloren lopen als u niet construeert.” Dan viel zijn oog op een paar stevige getekende studiën, en hij zei: “Ziens – ge kunt ’t wel maar ge wilt niet.”
“Die deformaties zijn valsch.”
“Ge liegt omdat ge een andere kleur schildert achter uw figuur dan in de natuur.”
Hij schudt dan wat met z’n hoofd – zoekt naar woorden – vind niets en gaat weg. Maar bij de deur blijf hij even staan met ’t gezicht naar de deur. Draait zich even snel om en zegt: “t Is toch goe – ga maar voort” en loopt heel snel weg.
Dan zie ik hem wel eens in geen 3 weken – en plotseling komt hij binnen en dan zegt hij:
“U vind mij toch zeker een zeurpiet om zo over constructies te zagen – maar ’t is voor uw eigen goed dat ik ’t zeg.”
Die onzekerheid deed me sympathiek – bijna vaderlijk aan. Ik reageerde nooit veel – zei wat neutrale algemeenheden – en ging mijn eigen weg. Ik had een model en een atelier – dus dat was voor mij de hoofdzaak waarom ik in Antwerpen was.
Antwerpen heeft ambachtelijke beteekenis, geestelijk geen enkele.
Ik nam uit ’t ambachtelijke wat ik nemen kon en las wat ik nodig vond aan tegenwichten voor ’t andere.
’t Evenwicht was ‘au fond’ wel iets gespannen maar ’t was uit te houden.
(Dit evenwicht Opsomer Instituut eenerzijds – en ikzelf en m’n eigen omgeving anderzijds)
Jammer is ’t dat Opsomer daar zelf een eind aan maakte door zijn te grote persoonlijke eerzucht en z’n te klein inzicht.
Opsomer is direkteur van ’t Instituut – niet van de Academie. Dat staat ongeveer in verhouding van ’t middelb.[aar] onderwijs tot ’t Hoger onderwijs.
Nu moest hij worden ook direkteur Academie. Best.
Hij kreeg dus ’t belangrijkste deel van ’t heele Belgiese kunstonderwijs in handen.
Verder is ’t de zgn. “peintre officiel” de man met 7 bijna eeuwige officieele kunstgezag in Belgie, ‘n soort dictator dus.
Voor een vrij kunstenaar in deze niet benijdenswaardige positie, is ’t moeilijk zich te handhaven – vooral artistiek – en dat lukt hem m.i niet. Hij weet dat zelf heel goed. En daarom exposeert hij ver vn huis. Nederland o.a. maar ook in China – Londen – Amerika – Weenen – enz.
Zo is ’t begrijpelijk dat zijn roem meer een diplomatieke dan een artistieke roem is.
Gevolg – veel vijanden onder de Belgiese kunstenaars die zich teruggezet voelen.
Hij heeft hier een groot vriend o.a. Camille Huysmans, die hem door dik en dun verdedigt. Tenminste ’t schijnt zoo.
Wat moet er nu gebeuren in ’t binnenland? En zie daar. De tentoonstelling van ’t Instituut is daarvoor geschikt.
Niet die leerlingen worden geëxposeerd die zich zelf proberen te zijn. Maar die waarin men heel duidelijk van bovenaf de hand van de meester meent te herkennen.
Zo is de tentoonstelling van ’t Instituut altijd “plus Opsomer, que Opsomer” en viert ’t epigonendom hoogtij. Alleen met dit doel “épater le Bourgeois” – en dat lukt prachtig. Als de minister van Schone kunsten komt met Huysmans en al de hoge ambtenaren van ’t departement. Dan spreekt men van de traditie en een herleving van de Antw. schilderschool en Opsomer met een triomfantelijk gebaar toont de menigte “resultaten” in de vorm van grote doeken 4x3M. Komposities met 4 of 5 figuren… die op ’t eerste gezicht overdonderen. Ziet men ze evenwel langer, ze doorstaan de tijd nog géén dag.
En nu mijn werk. In deze expositie exposeerde ik 8 schilderijen en een 10 tal teekeningen.
Weliswaar was ’t slecht gehangen – wat achteraf, maar ’t was goed omdat bij elkaar hing. D.w.z. al de teekeningen bijeen en al de schilderijen bijeen. Hoewel op verschillende plaats.
Het bleek dat ik ondanks deze wijze van doen een afzonderlijke element was. En ik was blij omdat ik ’t kon toetsen aan de “duurzaamheid”. Misschien oordeel ik subjectief, maar ’t is mij zonder dat ik er om vroeg van verschillende zijden verteld door menschen die geen enkele reden hadden me te vleien.
Er werd over gesproken dat ik er heelemaal uit viel. ’t Kon me weinig schelen wat de ‘men’ zei. Maar wat deed nu Opsomer. De stad had aangeboden voor frs 20.000,- aan te kopen voor scholen en andere openbare gebouwen. Bijna van alles werd ter aanmoediging iets gekocht. Evenwel van mij niet. Ik vond ’t gezien de kwaliteit van al ’t andere werk – dit min of meer een opzettelijke demonstratie van de zijde v. Opsomer. “Kijk een zelfstandigheid in iets dat duur moet worden gekocht!” Dat is kleintjes.
Hij ontweek me stelselmatig gedurende de heele tentoonstelling en dat vond ik al verdacht. Ik sprak er niet over.
Toen schijnt Beckelers (wethouder van onderwijs) aan wie Wibaut indertijd had geschreven om me “in de gaten” te houden er zich mee te bemoeien en hij vond de manier van doen niet in orde. Ik wachtte af.
Toen liet Opsomer me roepen. Ik kwam.
O. “Wat denkt u van de tentoonstelling. Ik hoorde u was niet tevreden over de plaats!” Ik antwoordde dat ik nooit mijn ontevredenheid daarover had uitgesproken. Ik ben niet ontevreden, ik onderwerp me aan de plaats die me wordt toegedacht.
O. Maar wat vind u van de tentoonstelling?
Toen werd ik wat kort aangebonden en vroeg recht op de man af.
Wat wilt u dat ik eeuwige nietszeggende diplomatieke krassen uit – of moet ik open en ronduit m’n meening zeggen.
O. Ronduit.
En ik begon.
Was u al eens in een lompenpakhuis?
O. ………??
“In een lompenpakhuis staan een aantal tonnetjes op een rij en met een virtuoos gebaar zoekt de knecht ervoor de vodden uit.
Katoen bij katoen
Linnen bij linnen
Zijde bij zijde
Fijn j zelt hij tusschen wol en katoen. ’t Wordt doormidden gescheurd en hij luistert naar ’t geluid van ’t scheuren, dat geeft hem zekerheid.
Daarna worden de lompen vastgestampt en deksel er op – een etiket – klaar om omgewerkt te worden in een papierfabriek. Ze waren als “Peer Gynt” – bijna iets – en door “omgesmolten” te worden konden ze “iets” zijn.
Maar er zijn ook vodden die op de mesthoop komen en nergens voor dienen. Een stukje zijde van de blouse van Barones X naast een stukje van de blauw-wit geblokte werkschort van de vrouw die ‘de gemakken’ van den Instituut heeft gekuischt.”
Met dezelfde virtuositeit als de man uit ’t lompenpakhuis is ook de tentoonstelling van ’t Instituut samengesteld. Ik wijs u op de schilderijen die op de mesthoop terecht zijn gekomen… Zij die ooren hebben om te hooren en organen bezitten die ’t opnemen kunnen zij zouden kunnen verstaan zoiets als Job moet bedoeld hebben in ’t Oude Testament:
“De heer heeft gegeven de heer heeft genomen, geloofd en geprezen zij de naam des Heeren!”
Tableau. Hij begreep ’t maar half.
“Woorden” zei hij.
Toen een klein incident dat de man herkende. Hij had een tijdschrift van me geleend en wilde ’t teruggeven. Hij aarzelde bladerde ’t nog eens in. Liet blijken dat hij ’t graag hield. Ik bood ’t hem aan – cadeau.
O, nee “geen cadeaux van leerlingen”. Wat denkt u – nee – nee – dat zal ik betalen. Hier zijn 25 frank dat is niet te weinig. Ik weigerde beslist. “Je hebt ’t noodig”. Nee, nee, geeft ’t een arme man zei hij. Goed en ik nam ‘t. Toen ik bij de deur was zei hij “Ja eens zien op een ander Parijs bvd er is misschien meer te verdienen…”
Toen rilde ik – zei geen woord – en liep door. Ik voelde een tik van anti-semitisme.
Op de hoek Pelikaanstraat – Kievitstraat stond een arme joodsche bedelaar. Ik gaf hem de 25 frank met de groeten van Opsomer.
Daarna schreef ik dit briefje.
Geachte Heer Opsomer
De frs 25,- gaf ik aan een arme beeldelaar hoek Kievitstraat – Pelikaanstraat. Hij zei me met tranen in z’n ogen in ’t Joodsch dat ik hier vertaal:
“Gezegend worden zal hij – gezond blijven zal hij – z’n vrouw, z’n kinderen, tot in lengte van dagen. Hij de edelmoedige, de rechtvaaride, de goedhartige mensch.
Ik zal weenen op z’n graf….”
Omein
Hoogachtend,
Max v Dam
Toen ik thuis kwam vond ik ’n briefje waarin namens de burgemeester gevraagd werd om m’n werk te zien. Er zou een schilderij worden gekocht. Dit heeft nu Woensdag a.s. plaats.
Je begrijpt dat ik nu onmogelijk ben om nog een jaar terug te komen.
Wat te doen?
Een poging deed ik om voor een jaar aan iets meer geld te komen. Ik schreef m’n vader ’t voorstel een jaar lang f 25,- per maand. Na ’t eind van dat jaar 5 schilderijen kiezen uit wat ik maakte.
Misschien met het “Prix de Rome” plan dacht ik ’t is toch een zakelijk voorstel – misschien. Z’n antwoord gaat hierbij. (de andere punten doelen op volgende zaken)
- Hij had me verf en doek beloofd verleden jaar, ik herinnerde er nog maar aan.
Talens via “de Handelskamer” – eens afwachten wat dat oplevert – misschien is ’t iets goedkoper - En dat is beroerder.
In Winterswijk was veel werk uit Italië achtergebleven. De landschappen en koppen ongeveer 4 studies geschilderd en 4 geteekende. Er was met Pinksteren een tentoonstelling in ’t stadhuis van Breda. Ik kreeg een invitatie mee in te zenden. Vroeg aan thuis zend deze schilderijen in naar Breda, dit en dat adres. ’t Is verzonden, maar ze zijn nimmer aangekomen. Jammer. Men is in Winterswijk verantwoordelijk voor de verzending.
–
Nu wil ik graag proberen om een loge te krijgen om de Amsterdamsche academie. Misschien is ’t mogelijk om daarna met meer succes voor de “Prix de Rome” te werken. Ik weet niet de meest geschikte weg om daar te komen. Ik zal Jan Sluyters eens schrijven. Bovendien ken ik de gezindheid van de Hoogleraren niet nadat Roland Holst is weggegaan en hoe worden die loges verdeeld? En gaat ’t maar zo-zo, een loge krijgen. Een loge is gemakkleijk om de modellen en ’t atelier.
Bovendien is de steun misschien wat groter. Ik zou wel eens m’n voelhorens hier en daar willen uitsteken.
Graag zou ik als overgang naar Amsterdam wel een tijd in Bergen willen werken en zal graag te zijner tijd van de uitnoodiging gebruik maken.
Ik ga eerst een tijd naar ’t Zuiden weer met de fiets, zoals verleden jaar. Niet zo ver. Die tochten hebben op mij zulk een verruimend invloed.
Eind van deze maand zal ik wel weg zijn naar Frankrijk.
Lijkt ’t jouw gewenscht om eerst even voor de vakantie alles in orde te maken en daarna weg te gaan. Dat is veel rustiger. Dan zal schrijven niet veel helpen en moet ik met een paren werk onder mijn arm in de bus naar Amsterdam. ’t Lijkt me wel zo bazegoriek/kategoriek.
Ik zou aan prof Wolter willen polsen en dan eens spreken met Bobeldijk.
M’n lidmaatschap van Pulchri geeft me altijd wel een makkelijker introductie denk ik. Misschien ken jij wat van die Heeren.
’t Kan nooit kwaad ’t eens te proberen.
Lukt ’t niet die loge, dan wil ik in Amsterdam gaan werken vanaf October en toch meedoen. Lukt ’t ik heb geld en ga reizen.
Lukt ’t niet, ik ga naar Parijs – en dan komt de zol[der]kamertjes tijd in Parijs en zoek ik kontakt met ’t Parijse milieu om te oriënteren.
Of een schilder van onze generatie nog kontakt met de ‘École de Paris’ nodig heeft is nog twijfelachtig, maar Parijs heeft m.i. naast ’t voorbije dekadente destructieve van de zgn École de Paris, misschien toch iets concreets te bieden en constructiefs aan steun kan geven voor de toekomst.
Zo niet, we kunnen er ‘t “bien peinare” zoeken. We kunnen dat ook in Holland. Overal, waar je werkt. Mits met geheele liefde, geheele ziel en geheele overgave.
Is al moeilijkheid niet zo.
Zijn de schilders niet geboren als eenzamen om als eenzamen te sterven.
Leve de enkele echte vrienden!
Ik vind je opbeurende brief me goed doen en ook ’t schrijven van deze woorden.
Dag veel groeten Max