Den Weled. Heer, Dr. J. Hemelrijk, “De Spar”, Bergen (Noord Holland)
Antwerpen 17 Febr [1936]
Beste vrienden,
Hartelijk dank voor de genomen moeite voor de lijst, ik geloof dat het stilleventje er goed in doen zal.
Uw openhartige vraag over mijn materiele levensomstandigheden is me erg sympathiek omdat ik vooral de laatse tijd drommels in de penarie zit, en toch graag over praten wil zonder dat ik opdringerig zou schijnen.
Mijn schilderen heeft de laatste tijd zich zo sterk doorgezet, dat ik moest doorwerken. Geld voor doek had ik niet. Verschillende bezuinigingen in eten e.d. konden tot op ’t randje in staat zijn verf aan te schaffen. Veel schilderijen van verleden jaar schilderde ik over. Ik vond ze niet goed, zo “a peu prix”. En het is toch niet nodig dat ik alles bewaar.
Ik was gelukkig om te kunnen werken omdat ik voel dat er iets doorbrak – dat ik kost wat kost moest vasthouden. Tengevolge daarvan zijn m’n mogelijkheden om iets te verdienen met reklameteekeningen zover op de achtergrond gedrongen dat ik ’s avonds onmogelijk me er toe kon zetten om te gaan letters teekenen.
Die materiele verwaarlozing speelde me parten. Ten einde raad schreef ik een brief naar huis om steun (heeft veel gekost voor ik er toe overging).
Moeder reageerde eerst met een klein kort briefje, dat ze dacht dat ik me zelf kon redden, omdat ik toen ik thuis was tijdens een visite eenigszins uit de hoogte afwijzend had gereageerd op een aanbod om een schilderij te verkopen – Het ging n.l. hierom –
Een zekere mijjnheer Roos opzichter van de Ned. Heidemaatschappij woont te Winterswijk was met z’n vrouw bij ons op visitie was moe gepraat over de werkverschaffing en de ontginning van woeste grond en vond toen plotseling aanleiding om over kunst te gaan praten. Hemeltje lief, wàt een stommiteiten debiteerde die man! Hij stak een grote sigaar op, zoog een paar keer nadrukkelijk plantte z’n duim achter z’n veset, schoof z’n been vooruit, keek me aan en zei
“Wat kost een schilderij van u?”
Prompt er bovenop zei ik “van f 100,- tot f 600,- hangt af van de groote, ’t onderwerp en de hoedanigheid van ’t schilderij!”
Z’n gezicht betrok als een heldere hemel bij een opkomende donderbui. Maar hij beheerste zich goed (zulke menschen beheersen zich altijd goed.)
“Och kan ’t niet goedkoper? Als u iets hebt wat ik thuis kan ophangen dan heb ik er wel f 50,- voor over. Boven ’t dressoir is nog een leege plaats en met een knikje naar z’n vrouw dat niemand zien mocht was er een ogenaiskussie tussen die twee. Zo van… zij “je bent gek vent” en hij -zelfbewust- “laat me maar begaan – je kunt nooit weten”.
En dan tot mij:
“Mijnheer van Dam…. eh …. eh …. ik bedoel natuurlijk geen naakt – voor mij persoonlijk vind ik een naakt in de slaapkamer wel mooi… (Ik zag z’n vrouw hevig blozen. Maar ik kon er niets aan doen dat ik ’t zag.) Maar ehh. voor de menschen ziet u. Wat zullen de menschen er wel zeggen. Nee dat kan ik niet doen. Maar een landschap of een mooi stilleven of bloemen…
Och ja – zei ik een naakt kan ook niet “dat herinnert te veel aan de waarheid.”
De zin van zo’n reactie van mij ontging hem. En ik was al geïrriteerd.
Hij glimlachte wijs. En m’n moeder zei een stuk woeste grond hei of zo. “Ja zei m’n vader “iets toepasselijks”.
Toen ik.
Mijnheer Roos, “Menschen die schilderijen kopen zijn zo als u in uw werk van alle dag. “Ze ontginnen ook woeste grond – maar in dat geval is die woeste grond hun hart. En ze doen dat zelf. Niemand is daarbij nodig. Soms doen een man en een vrouw dat samen en voor elkaar. Er is geen Heidemaatschappij, en geen werkelozen voor nodig. Geen gemeentebestuur en geen werkverschaffing dat gebeurt in de intimiteit van hun eigen wegen. Ze kopen een schilderij omdat ze er niet zonder kunnen. Zo min als deze zonder boeken of zonder muziek kunnen. De schoonheid is een realiteit in hun leven.
Als u inderdaad met die gevoelens bezielt een schilderij koopt, dan doet u iets. Anders is ’t een gebaar dat leeg blijft zonder zin en zonder ruggengraat – dat met schilderkunst niets te maken heeft. Maar zou iets worden als “épâter le bourgeois”. À propos – u kent toch weinig werk van me.
“Nou zei m’n vader – je stuurt maar wat.” En moeder zei “Wie wil d’r nog een kopje koffie.”
“Hè ja” zij mijnheer Roos – en dat “hè ja” was “een kurze Rede tiefer Sinn.”
–
Waarom ik dat eigenlijk vertel? Och, het is maar een beetje ironie – en ook omdat ik besloot bijgaande brief van m’n vader in te sluiten, waarin hij duidelijk en onomwonden zijn meening zegt. Waartegen ik nogal wat aan te voeren heb, maar ’t is verstandiger om geen ruzie te maken. Het is hem tenslotte niet kwalijk te nemen, als hij de dingen nogal eng ziet. (het is zowat in de stijl van vakvereenigingsachtige koopmanspedanterie) maar hij bedoelt ’t toch niet kwaad en als zodanig toch eerlijk, en dat is dan weer sympathiek. Ik moet hem er nog op antwoorden – eerst was ik wat geirriteerd en schreef een lange brief die ik niet verzond. Z’n gedachten ontledend en en mijn gedachten tegenover zettend is de hoop de afstand te bekorten die er tusschen ons is, maar m’n vorige brief was een groote poging daartoe – en als dan zijn reactie daarop is “Waarde zoon” – dan heeft hij de zin van m’n poging tot toenadering toch niet begrepen en dan laat ik ’t maar voor wat ’t is voorlopig.
Ik heb geduld.
In ieder geval zie ik materieel de nabije toekomst niet zo somber in als ’t zou kunnen schijnen. Eind Februarie beslist een kommissie of ik al dan niet wat geld krijg uit de Kon. Subsidie. Willy Sluiter is voorzitter, en hij heeft me zijn steun toegezegd, zonder dat ik er om vroeg. Hij vond dat ik er wel voor in aanmerking kwam. Zodat ik toch eenige hoop heb dat ik iets krijg. ’t Is echter maar een hoop en ik zal moeten wachten tot die hoop zekerheid wordt. M’n werk is in Den Haag en Pulchri zou voor ’t transport zorgen. Liever was ik zelf nog naar Den Haag gegaan, om wat van ’t laatste werk mee te nemen, er zelf voor ’t transport te zorgen – maar het geld voor de reis heb ik niet – en ik geloof toch wel als men bij Pulchri me beloofde het te brengen, naar de keuring gaan, dat ze dat toch wel niet zullen vergeten.
Ik schreef in ieder geval nog even een briefje.
Zo hobbel ik voort en ik werk en ik vergeet die materieele rompslomp. Maar in de tijden die over zijn pieker ik zo eens een beetje, hoe ik hier of daar zal uitraken en dan is nog altijd net iets te vinden waarmee ik me dan weer een paar dagen red.
Och ik weet dat ik een moeilijk vak gekozen heb – en de konsekwentie zal ik waardig dragen ook. ’t Moet en ik kan niet anders.
Dag, hartelijke dank voor jullie belangstelling – aan allemaal de vriendelijke groeten van mij.
Jullie Max.