9 februari 1936

Brief van Aron van Dam aan Max van Dam

                                                                                              Winterswijk 9 Febr. 1936

Waarde zoon.

Je groote brief kwam in ons bezit en uit de veelheid van woorden meenen wij te kunnen opdiepen 2 feiten van beteekenis.

De eene is dat je bent uitgenodigd mede in te zenden voor de te houden tentoonstellingen en de andere is dat je op zwart zaad zit.

Over dat laatste wil ik het nu eens hebben.
Ten onrechte verwijt je ons, gebrek aan belangstelling, aan liefde, aan medewerking enz. Ik zeg ten onrechte want die zijn in ruime mate aanwezig. Moeilijker wordt het echter wanneer al die dingen in klinkende munt moeten worden omgezet. Laat ik het voor de zooveelste maal je duidelijk zeggen, dat ik niet in staat ben je zooveel geld ter beschikking te stellen, dat jij je ongestoord en ten volle kunt uitleven. Mijn inkomen is van dien aard, dat wij met de noodige zuinigheid moeten trachten rond te komen. Dat wil niet zeggen dat het niet mogelijk is een enkele keer voor een of ander buitengewone zaak eenige guldens te bestemmen, maar overigens moet de meest mogelijke zuinigheid in acht worden genomen.

Daarbij is de toekomst zeer onzeker en weet ik nog niet wat ons boven het hoofd hangt. Ziedaar de omstandigheden waarvan jij je blijkbaar geen voldoende rekenschap hebt gegeven. Nu wil ik je dit zeggen dat jij van een heeleboel menschen veel liefelijks en aardigs kunt ondervinden, doch dat er zeer weinigen zijn die van hun eigen middelen zullen offeren. Daarom is de zorg voor jou om aan geld te komen en daardoor in staat te zijn je weg te vervolgen te trachten je talenten te verkoopen door je producten ten gelde te maken of op andere wijze voor ontwerpen of iets dergelijks je te laten betalen. Gelukt dat, dan komt het in orde, gelukt dat niet dan ben en blijf je in de misère.

Als je het lijden van een van Goch ten voorbeeld haalt schiet je dan al heel weinig mede op.

Waarom ik dat nu eens allemaal neerschrijf? Wel om de volgende reden.

Toen je hier was gaf de heer Roos te kennen genegen te zijn een schilderij van je te koopen. Uit het gesprek dat toen volgde bleek dat je hiertoe niet genegen was.
Als je nog op dat standpunt staat, mij best, maar vertel ons dan niets meer van je armoede, want op die manier schep je zelf die toestand.

Aan den anderen kant loopen wij hier te piekeren, dat jij misschien rondloopt zonder eten enz. Een prettig gevoel voor je ouders, dat kun je denken. Daarom sluit ik hierbij in een briefje van f 10,- dan heb je tenminste iets voor het eerste noodige.
Zoo ik zeide geld kan ik je niet geven, maar ik wil het anders proberen. Ik wil je helpen bij je pogingen om door middel van je vak aan geld te komen. Je kunt mij n.l. zenden een paar mooie schilderijen, vervaardigd op prima doek en prima kwaliteit verf en ander materiaal en van zoo hoog mogelijke kunstwaarde. De voorstelling moet zoodanig zijn, dat het mij mogelijk moet worden gemaakt koopers te vinden, dus geen naaktfiguren of iets dergelijks. Voor de rest laat ik alles aan jou over, maar het moeten goede schilderijen worden in de volle beteekenis van het woord.
Ga je hierop in, dan zal ik zorgen dat je daarop een voorschot krijgt van b.v. f 25,- of iets meer als het niet anders kan.
Ik wacht hierop je antwoord af, liefst met een korte beschrijving van je meening over de uitvoering. Ziedaar wat ik je heb te zeggen.
Voor heden gegroet

Je vader

A van Dam